Ongewenst bezoek
De deur zwaaide open. Ik draaide me verschrikt om. ‘Marjolein’, begon ik, ‘wil je voortaan wel kl…’.
‘Juf!’, viel ze me in de rede, ‘ik heb mijn opa meegenomen!’
Ik zuchtte. ‘We hadden toch afgesproken dat je het eerst zou vra…’. Een olijke man verscheen in de deuropening. Hij gaf mij een erg stevige hand zodat ik krampachtig naar hem glimlachte en stelde zich voor.
‘Mijn opa logeert een weekje bij ons en mijn moeder vond het wel leuk voor hem als hij eens mee ging naar muziekles’, vertelde Marjolein enthousiast.
‘Zo is het’, vulde opa aan, ‘als je elkaar al bijna een week op de lip zit, moet je er ook eens even uit’.
Ik wist nog niet of ik me vereerd moest voelen om opa’s verzetje te zijn of niet.

‘Ik had juist met Marjolein afgesproken dat ze het van tevoren zou zeggen als er iemand mee zou komen, maar ik begrijp dat dit een onverwachte situatie is. Marjolein is nogal gastvrij op haar lessen weet u, ze neemt zo vaak iemand mee’, zei ik. ‘Jaja, maar opa is natuurlijk niet zomaar iemand’, zei de oude heer. Hij wreef eens in zijn handen en keek om zich heen. ‘Waar had u mij gehad willen hebben? Zal ik die stoel maar nemen?’ Hij wees op mijn ‘docentenstoel’.
Marjolein giechelde. Dit werd serieus, dacht ik. ‘U kunt, denk ik, beter die stoel nemen’, zei ik wijzend op een lage stoel met houten zitting, ‘dit is namelijk mijn stoel’.
Maar opa liet zich niet zo makkelijk van een idee afhelpen, begreep ik al gauw.
‘Och mevrouw, het is maar voor een half uur. U kunt er de hele dag nog op zitten. Ik zit graag hoog. Doktersvoorschrift’. Met deze woorden liep hij vastberaden op mijn stoel af en ging er met een diepe zucht op zitten.
‘Als u dan zo graag op die stoel wilt zitten, dan zullen we hem even ergens anders neerzetten, omdat ik op die plaats altijd lesgeef’, zei ik een beetje geprikkeld.
‘Och nee mevrouw, doet u vooral geen moeite. Ik vind dat een prima plek om te zitten. Ik kan het dan goed overzien, merk ik wel’. Opa keek vergenoegd om zich heen. Hier is geen beginnen aan, spaar je energie, sprak ik mezelf toe. En met een energieke zwaai plantte ik de lessenaar op een andere plaats in het lokaal. Uit de buurt van opa.
‘Kunt u niet iets dichterbij komen staan?’, was zijn onmiddellijke commentaar.
‘U kunt het veel beter horen als u er niet zo bovenop zit’, zei ik zo streng mogelijk. Opa stond met een kreunend geluid op en schoof zijn stoel ruim een meter mijn richting uit.
‘Zo dan’, zei hij koppig en ging weer met een zucht zitten. Hij keek opnieuw om zich heen. Van deze gelegenheid maakte ik gebruik om de lessenaar weer wat verder van hem af te zetten. Ik stond nu vlakbij de deur. Als de volgende leerling op dezelfde manier als Marjolein zou binnenstormen, zou de hele handel omvallen. Was het maar alvast zo ver. Ik keek op mijn horloge. Er waren pas vijf minuten verstreken. Nu maar gauw met de les beginnen, des te eerder is dit voorbij, sprak ik mijzelf moed in. Marjolein had haar boek al op de lessenaar gezet en begon te spelen.
‘Verkopen ze hier ook koffie?’. kwam de stem van opa. Marjolein speelde door en ik besloot net te doen alsof ik het niet gehoord had.
‘Verkopen ze hier ook koffie?’, klonk het nu veel luider. Ik draaide me om en probeerde zo verbaasd mogelijk te kijken. Marjolein stopte met spelen.
‘Ja u kijkt natuurlijk zo verbaasd, omdat u denkt dat oudere mensen ’s middags alleen thee drinken met een wolkje melk, maar ik niet hoor. Nee, ik drink koffie. Verkopen ze dat hier ook?’
‘Nee’, loog ik. Dit stemde opa niet tevreden. ‘Ik ga toch maar even kijken beneden’, zei hij terwijl hij weer met een kreun opstond.
‘U kunt echt niet heen en weer gaan lopen tijdens mijn les’, zei ik fel.
‘Tuttut, maakt u zich maar niet druk, ik ben zo weer terug en dan blijf ik zitten waar ik zit’, zei hij en schuifelde langs de lessenaar naar buiten. Hij sloot de deur.
Ik slaakte een diepe zucht en keek verbijsterd naar Marjolein. Ze keek verlegen een andere kant uit. ‘Is hij bij jullie thuis ook zo?’, vroeg ik tenslotte. ‘Och,’ zei ze en kreeg een kleur.
‘Voortaan moet je bellen als er onverwacht iemand meekomt, afgesproken?’, vroeg ik. Ze knikte. ‘Mijn moeder vond het zo fijn dat hij even weg was’, bekende ze aarzelend.
De deur ging voorzichtig open. Er verscheen een hand met daarin een kopje koffie en daaraan opa. ‘Geen probleem’, zei hij opgewekt, ‘koffie zat. Had u ook een kopje gewenst?’
‘Nee, dank u wel’, zei ik, ‘gaat u maar gauw weer zitten’.
De les ging verder. Nog tien minuten zag ik op mijn horloge.
Even later draaide ik me verschrikt om. ‘Wat doet u nu?’, vroeg ik stomverbaasd. ‘Een kopje koffie zonder sigaartje is niks. Nee, er moet een sigaartje bij’, zei opa onschuldig. Er hing een grote rookwolk rond zijn hoofd. ‘Heeft u ook ergens een asbak?’, vroeg hij vriendelijk. Ik liep met een paar passen op hem af. ‘Een asbak?, vroeg ik spinnijdig, ‘een asbak heb ik zeker. Een hele grote zelfs. Geeft u maar hier’. Ik pakte de sigaar af, liep naar het raam en gooide hem naar buiten.
‘Ziezo’, sprak ik handenwrijvend, ‘Marjolein, pak maar in. Volgende week gaan we verder’.
Opa was inmiddels van zijn verbazing bekomen. Hij stond op, liep naar het raam en keek naar beneden. Vervolgens keek hij naar mij en zei:’ Weet u wel dat u een sigaar van dertig cent heeft weggegooid?’.
Ik keek hem enkele ogenblikken aan. ‘Het spijt me wel, meneer’, zei ik, ‘maar er wordt niet gerookt in mijn lokaal. Doktersvoorschrift. Marjolein, tot volgende week’. Ik gaf haar een knipoog en opende de deur. Opa vertrok mopperend.
De deur sloot zich met een knal.
Vijftig

‘Vijftig, zei u?’
Ik knikte enthousiast.
‘Hm. Dat is veel.’
Ik knikte wat zuiniger.
De man krabde in zijn nek en slaakte een diepe zucht. ‘Ik zal kijken wat ik voor u kan doen.’
Ik keek eens rustig om me heen. Het móesten er toch vijftig zijn? vroeg ik mij af. Ik haalde het briefje voor de zoveelste keer voor de dag. M’n ogen vlogen over de regels. Ja, vijftig was wel het mooiste. Eentje minder zou eventueel ook kunnen, maar het effect was dan toch minder. Peinzend beet ik op mijn lip.
De man kwam terug. Zijn gezicht stond ernstig. ‘Ik heb er nog tweeëndertig’, zei hij.
Nu slaakte ik een diepe zucht. Dit kon echt niet. Wat moest ik doen?
De man opperde: ‘Ik kan wel even voor u bellen of er elders nog meer zijn?’
‘Heel graag, ja, als u dat wilt doen. Geweldig!’, zei ik zo stimulerend mogelijk.
‘Goed, wacht u hier dan maar even.’
Ik wachtte.
‘Ja, hier met …. een mevrouw … vijftig … tweeëndertig … ja, vijftig … nog wat liggen…?’
Van die flarden gesprek voelde ik me zenuwachtig worden.
Ik draaide me om en probeerde zo aandachtig mogelijk naar buiten te kijken. Een paar kinderen slenterden voorbij, de aandacht gericht op een glazen potje dat het middelste meisje in haar handen hield. Ik ging op mijn tenen staan om te kijken wat erin zat, maar kon het net niet zien. ‘Ik geloof dat u geluk heeft, mevrouw.’
Ik schrok op uit mijn getuur. ‘Ja?’, vroeg ik hoopvol. ‘Ze hebben er nog zo’n stuk of twintig’, zei de man met het elan van een redder in nood. Die rol gunde ik hem van harte en ik zei gemeend: ‘Meneer, u bent geweldig, wat zou ik zonder u moeten beginnen!’
‘Nou, mevrouw, kijk eens, als ik wat voor een ander kan doen dan zal ik het niet laten, maar het moet wel kunnen, natuurlijk. En vijftig is wel véél.’
Ik voelde dat ik een beetje bloosde, want het klonk duidelijk kritisch en het gaf me een gevoel van grote inhaligheid. ‘Des te geweldiger dat het u gelukt is, meneer’, zei ik dapperder dan ik me voelde.
‘Hm’, was zijn enige commentaar.
‘En hoe doen we het nu? vroeg ik praktisch.
‘Ze komen ze vanmiddag brengen, want ze moeten toch in de buurt zijn’, zei de man.
‘Zal ik ze dan aan het eind van de middag komen halen?’, stelde ik voor.
‘Ik wil ze ook wel komen brengen’, zei de man, ‘want vijftig is wel veel en het is een heel gesjouw.’
‘Weet u’, nam ik de leiding, ‘ik neem nu de tweeëndertig mee en haal vanmiddag de rest.’ Afwachtend keek ik hem aan.
‘Als u het niet teveel vindt, vind ik alles best’, zei de man zo elegant mogelijk.
‘Goed, dan doen we het zo’, zei ik met een zucht. ‘Maar ik betaal ze nu allemaal. Hoeveel is het?’
Ik rekende af en even later stond ik op straat. Terwijl ik naar huis liep, was ik blij dat ik ze niet alle vijftig tegelijk hoefde mee te nemen.
Want het was inderdaad wel veel.
Trainen of studeren?
Vanzelfsprekendheid is misschien een mooi woord voor het spel ‘Galgje’, maar het is een woord dat in elk geval niet in mijn morele woordenboek staat. Het is een woord dat in letterlijk één woord de boel volkomen lam kan leggen. Alle initiatieven op creatief of anderszins vlak verdwijnen daarmee als sneeuw voor de zon.
Na een optreden komt een mevrouw naar mij toe en zegt: ”U speelt zo vanzelfsprekend, zo makkelijk en zo soepel”. Fijn was uiteraard de toevoeging na het ‘vanzelfsprekende’, maar vanzelfsprekend is het niet.
Voor sommige mensen is het gratis en voor niets komen spelen ook vanzelfsprekend. Gelukkig komt dat niet zo vaak voor, maar toch…. Het moet voor mij dan weer vanzelfsprekend zijn om daar het gesprek over aan te gaan. En daar houd ik dus niet van.
Veel mensen denken, net als de mevrouw hierboven, dat je als vanzelfsprekend mooi speelt. Je hebt je conservatoriumdiploma, dús…… Erger nog: men is verbaasd dat je elke dag studeert!
En toen kreeg ik tijdens een zeer vroege wandeling in het bos van de week een helder beeld. En dat wil graag even delen.
Stel: ik word ’s morgens wakker, kijk op de wekker en denk: “Ha! Ik ga eens eventjes lekker hordenlopen! En daarna polsstokhoogspringen! Jippie!
Iedereen begrijpt dat zulke Olympische sporten eindeloos veel training kosten. Toch?
De moraal van dit verhaal?
Precies!
Eigenlijk best vanzelfsprekend…
De eerste les
Na een instrumentdemonstratie van de muziekschool was mijn keus op de dwarsfluit gevallen. Mijn moeder vond het niks. De blokfluit was toch ook prima? En ik speelde er toch mooi op?
Mijn vader deed er het zwijgen toe.
Op een middag zat ik na school huiswerk te maken aan de eettafel. Mijn vader had op maandag de kapperswinkel gesloten en was naar Rotterdam geweest voor wat boodschappen. Toen hij thuiskwam legde hij een in bruin papier verpakt pakket voor mij neer. Ik was erg verbaasd, want wij kregen nooit zomaar een cadeau. Ik scheurde het papier er af en zag een zwarte doos. Geen idee wat er in zat. Ik deed de twee clips aan de zijkant omhoog, de deksel ging open en daar, op het helderrode pluche, lag een dwarsfluit in drie delen te glimmen. Ik kreeg er een kleur van en hakkelde ‘Dank u wel’…
Aan iedereen die bij ons langs kwam, liet ik de doos zien. Ik maakte hem steeds voorzichtig open en als er gevraagd werd: ‘Speel eens wat’, dan deed ik hem snel weer dicht. Ik had immers nog geen les. Wel blies ik op het kopstuk en voelde steeds dezelfde sensatie als toen ik er die avond in de muziekschool, bij die aardige mevrouw, op mocht blazen.
Eindelijk was het zover: de eerste fluitles! Bij de Hema had ik een tas mogen kopen van blauwe lapjes ribcord in verschillende tinten, hoog genoeg voor de lengte van de doos waar de dwarsfluit in zat. Ik had op woensdagmiddag om 15.15 uur mijn eerste les. Ik kwam om 17.10 uur klaar voor de start de leskamer binnen. Had in het grote aftellen tot die eerste les vijftien-vijftien als tien over vijf vertaald.
U snapt de dramatiek van dit verhaal…

Publiek
Op een keer speelde ik met een pianist in een verzorgingshuis. Het was een avondconcertje dat om 19.30 uur begon en het zou ongeveer een uur duren. De gemiddelde leeftijd van het publiek was ruim 80+.
We werden hartelijk ontvangen en welkom geheten. Op het programma hadden we geen ingewikkelde, maar prettig in het gehoor liggende muziek staan. Het zal na het tweede of derde stuk dat we speelden zijn geweest dat een dame op de eerste rij in het oor van haar buurvrouw toeterde: ‘Is het mooi??!!’
En dan moet je nog verder. En die steeds opkomende lachkriebel negeren…

